Fédéralisme Régionalisme

1374-3864 2034-6298

 

depuis le 05 février 2011 :
Visualisation(s): 5173 (17 ULiège)
Téléchargement(s): 0 (0 ULiège)
print          
Carl Devos & Nicolas Bouteca

Brussel-Halle-Vilvoorde: Voeren van de 21ste eeuw

Article Open Access

Inleiding

1BHV is het voeren van de 21ste eeuw: een lokaal geschil rond de taalgrens, dat uitgegroeid is tot een symbool in de communautaire strijd. Hoewel weinigen de werkelijke inzet of achtergrond begrijpen heeft men er tot diep in Vlaanderen en Wallonië een uitgesproken mening over. Het gaat in beide gevallen om een complex probleem, dat sterk gejuridiseerd is. Het gaat in beide gevallen om de positie van de Franstalige minderheid in en ten aanzien van de Vlaamse meerderheid. Een Franstalige minderheid die lokaal een meerderheid vormt en zich daarom rechtstreeks op democratie beroept. Voeren en BHV: beiden ra(akt)en aan de essentie van het samen-leven tussen Vlamingen en Franstaligen. Ze gijzelen de Belgische regering en zijn oorzaak van veel politieke instabiliteit. Beiden zijn dwarsliggers voor de staatshervorming. Maar tussen beiden zitten twee decennia. Dat maakt een Voeren-oplossing voor het BHV-probleem steeds minder evident.

2In deze bijdrage schetsen we de kwestie BHV eerst vanuit een denkkader dat gebaseerd is op partijcompetitie, ideologische hegemonie en pacificatiedemocratie. Onze stelling is dat BHV in Vlaanderen evolueerde van een position naar een valence issue. Dat heeft specifieke gevolgen voor de werking van ons politiek systeem. In het tweede deel gaan we dieper in op de argumentatie van het Brussel-Halle-Vilvoorde-discours, vanuit een Vlaamse invalshoek. Doel is om die Vlaamse posities te verduidelijken en vooral te verklaren.

Van position naar valence issue

3BHV was lange tijd voer voor doorwinterde Vlaams-nationalisten met een neus voor communautaire spitstechnologie. Het dossier haalde 40 jaar lang slechts sporadisch de politieke agenda en kon de brede publieke opinie nooit echt beroeren. Vandaag lijkt Vlaanderen in de ban van Brussel-Halle-Vilvoorde. Op zijn minst de Vlaamse politici en opiniemakers zijn er door gebeten, maar ook heel wat modale Vlamingen kennen het probleem BHV, zonder het daarom ook te begrijpen. Dat laatste neemt niet weg dat nogal wat Vlamingen vinden dat BHV opgelost moet worden, en wel via een snelle splitsing zonder toegevingen. Het on-sexy issue van weleer werd een mobilisatiethema. Hoe is Brussel-Halle-Vilvoorde tot hét communautair symbool van dit decennium kunnen uitgroeien? Om deze vraag te kunnen beantwoorden grijpen we terug naar het politiek-wetenschappelijk analysekader m.b.t. partijcompetitie en ideologische hegemonie.

4Traditioneel ging men ervan uit dat partijen elkaar beconcurreerden door het electoraat een verschillende keuze aan te bieden over eenzelfde kwestie. Sommige partijen zijn pro een bepaalde beleidskeuze, anderen zijn contra. Door op die manier met elkaar in competitie te gaan trachtten ze kiezers te verleiden. Zo werkt de democratie een beetje als een markt. Dat klinkt kinderlijk logisch, en veel onderzoek werkt vanuit die veronderstelling1. De invloedrijke rational-choice theoretici, met Downs2 op kop, benaderden partijcompetitie vanuit deze confrontatievisie. Zoals wel meer het geval is bij rational-choice benaderingen voelde deze haast economische visie op politiek voor sommige auteurs te artificieel aan om de niet-rationele werkelijkheid te analyseren. Een van de meest grondige kritieken op Downs’ voorstellingswijze van politieke conflicten kwam van Stokes3. Deze auteur heeft vooral kritiek op de veronderstelling dat er in de realiteit altijd alternatieve beleidsvoorkeuren zouden bestaan. Volgens Stokes bestaan die voor de belangrijkste politieke kwesties niet: ‘The empirical point that needs to be made is that many of the issues that agitate our politics do not involve even a shriveled set of two alternatives of government action4. Stokes verwijst daarbij o.a. naar het corruptiethema dat zeer belangrijk was tijdens de verkiezingscampagne van 1952 in de Verenigde Staten. Noch de democraten, noch de republikeinen profileerden zich op dit vlak anders. En er waren ook geen kiezers die pro corruptie en anderen die tegen corruptie waren. Alle partijen en alle kiezers hadden over deze kwestie dezelfde mening: nl. geen gesjoemel in de politiek. Corruptie is volgens Stokes een voorbeeld van een thema waarrond slechts één positie mogelijk is. Hij noemt dit valence-issues: ‘(…) those that merely involve the linking of the parties with some condition that is positively or negatively valued by the electorate5. Dit staat tegenover positional issues waarop partijen een pro of con positie innemen. Bij valence issues kan geen directe tegenpositie worden ingenomen6. Volgens Budge ‘because of overwhelming perceptions of its moral superiority or obviousness or rightness7. Een tegenpositie is met andere woorden haast ondenkbaar. Niettegenstaande alle partijen rond deze politieke kwesties eenzelfde houding aannemen, zijn dit volgens Stokes toch de thema’s die de bevolking het heftigst beroeren8. In dergelijke omstandigheden stemmen kiezers voor de partij die zij het meest geloofwaardig achten op dit issue, en dus het meeste kans maakt om de algemeen aanvaarde doelstelling te realiseren. Het gaat dus niet om inhoudelijke posities, maar om de wijze waarop partijen kiezers ervan overtuigen dat zij dit algemene standpunt in de praktijk zullen verdedigen.

5De idee dat bij een valence issue haast geen tegenpositie te bedenken valt sluit nauw aan bij het begrip ideologische hegemonie van Antonio Gramsci. Daarmee bedoelde de Italiaanse communist dat het wereldbeeld van een bepaalde klasse dominant is omdat het door andere klassen stilzwijgend wordt geaccepteerd. De ideeën van de bourgeoisie hebben een hegemonische positie verworven omdat ze andere, rivaliserende ideeën hebben verdreven9. Voor het politieke bedrijf kan dit betekenen dat bepaalde problemen maar van één kant worden bekeken en dat alternatieve oplossingen uit het oog verloren worden, niet worden voorgesteld of als onzinnig worden beschouwd. De ideologie van de heersende politieke formatie wordt daarom stilzwijgend gevolgd. Het lijkt electoraal immers onzinnig om een andere positie in te nemen.

6Uit vrees om afgestraft te worden neemt niemand over valence issues nog een andere positie in: er zijn enkel variaties op de hegemonische positie te horen. In een politiek systeem dat terugplooit op pacificatiemechanismen om conflicten tussen gemeenschappen op te lossen is dit een problematisch situatie. Wanneer een kwestie in beide gemeenschappen in tegenovergestelde zin evolueert naar een valence issue dreigt het systeem onderuit te gaan. De traditioneel compromisgezinde elite lijkt niet langer bereid om samen te werken, met als gevolg dat we van een pacificatiedemocratie verschuiven in de richting van een centrifugale democratie10. Een systeem dat volgens Lijphart onstabiel is en niet kan blijven bestaan. Dat heeft te maken met enkele fundamentele kenmerken van onze sui generis federatie.

Het unieke Belgische model

7Inderdaad, alle federaties zijn in zekere zin sui generis. De concrete vormgeving van de ‘shared rule’ en ‘self rule’-principes waardoor alle federale systemen gekenmerkt worden is zeer uiteenlopend. Omdat ze aangepast moeten worden aan zeer uiteenlopende lokale kenmerken of verzuchtingen. Maar het Belgisch federalisme maakt het terzake toch wel erg bont. Het experimenteert gedurfd met enkele van de zeldzame conditio sine qua non voor een succesvol federalisme.

8De voorbije staatshervormingen leidden vaak – o.a. door de vereiste bijzondere meerderheid – tot onbegrijpelijke combinaties en complexe constructies die opstonden uit ad hoc regelingen en compromissen. De manier waarop de staatshervormingen georganiseerd werden leidde tot ingewikkelde structuren en ondoorzichtige bevoegdheidsverdelingen. Die complexiteit is niet het gewenste resultaat van een kwaadwillig complot, maar is een onvermijdelijke spin off van de eigen-aardige kenmerken van de Belgische situatie.

9De federale bevoegdheden en middelen zijn, na decennia van staatshervorming, steeds gevoeliger, symbolischer. Wat vandaag in Belgische handen blijft is wat niet eerder naar de Gemeenschappen en Gewesten verstuurd kon worden. Het Belgisch federalisme is niet het resultaat van de enthousiaste vraag tussen voormalig onafhankelijke deelstaten om samen te werken. Het Belgisch federalisme is centrifugaal, het is geen ‘coming together’ maar een ‘holding together’ federalisme. Het is, ondanks alle tekorten en nadelen ervan, een noodzakelijk mechanisme van conflictmanagement, langzaam geïntroduceerd om spanningen op te vangen, om het land samen te houden. Het Belgisch federalisme is er een zonder enthousiasme over de essentie van het federalisme zelf, nl. de blijvende en zelfs toenemende samenwerking vanuit de instelling dat zodoende iedereen beter af is. Het Belgisch federalisme is er een van moeten. Omdat de klassieke pacificatiemechanismen niet langer volstonden of geschikt waren.

10Het Belgisch federalisme is ook een bipolair federalisme: ondanks drie gemeenschappen, drie gewesten of vier taalgebieden rust ons model op de spankracht van twee politieke gemeenschappen, nl. Vlamingen en Franstaligen. De verschillen tussen Walen en Franstalige Brusselaars zijn aanzienlijk en zeker relevant, maar ze zijn, als het er op aankomt, niet fundamenteel voor het huidig functioneren van België. Iedereen die vertrouwd is met de toonaangevende en lucide analyse over dyadic federations van Ronald L. Watts weet dat deze toestand bijzonder delicaat is – hij heeft het over ‘high failure rate’ – en daarom ook relatief uitzonderlijk is. Voeg daar ‘onstabiel’ aan toe. Deze dualiteit maakt wisselende coalities onmogelijk. Wisselende coalities zorgen ervoor dat ‘de ander’ ook anders dan als vijand, als tegenstrever wordt gezien. Medestrever in dossier x, tegenstrever in dossier y. De duale opbouw bevriest de ander tot permanente vijand.

11De Belgische variant is ook een federalisme met uiteenlopende visies en drijfveren. Vandaar het ontstaan van Gemeenschappen enerzijds en Gewesten anderzijds. Nederlandstaligen waren meer bekommerd om cultuur, onderwijs en taalgerelateerde bevoegdheden. Franstaligen daarentegen drongen vooral uit economische overwegingen aan op meer regionale autonomie, zodat ze een eigen Waals economisch beleid konden voeren. Vlamingen gingen voor de Gemeenschap, Walen voor de Gewesten. Bovenop deze institutionele asymmetrie zijn er uiteraard de onmiskenbare en gecreëerde verschillen tussen het Noorden en het Zuiden: de sociaal-economische, demografische, culturele … verschillen tussen de twee landsdelen, netjes gescheiden door een taal- en – gelet op de bevoegdheidsgebieden van decreten en ordonnanties – ook een juridische grens.

12Bovendien zijn er ook geen federale partijen die de Belgische staat kunnen vertegenwoordigen. In België bestaan geen Belgische kiezers. In België bestaan geen Belgische politici. Zelfs de federale regering is in essentie een permanente diplomatieke paritaire conferentie van regionale politici. Omdat er geen regio-overschrijdende kieskring bestaat zijn er geen politici die zich om de belangen van kiezers uit een andere dan hun eigen regio bekommeren. Het gebrek aan federale partijen zorgt er ook voor dat een traditionele en sterke agent van conflictmanagement – de federale ‘moederpartij’ die in de conflicten tussen haar regionale ‘dochterpartijen’ bemiddelt – in België ontbreekt. Alweer een dam minder tegen centrifugale tendensen. Er zijn ook geen Belgische media meer die consequent federale kwesties vanuit beide – Vlaamse en Franstalige – invalshoeken bekijken. Vele media langs weerzijden van de taalgrens bekijken de andere taalgroep en federale situatie vanuit de eigen Vlaamse of Franstalige invalshoek. Vaak zijn media in hun edito’s of analysestukken de vertolkers van een geëngageerde communautaire visie. Vlamingen bekijken Franstalig België enkel vanuit de Vlaamse media, in het Vlaams. Ook voor Franstalige kiezers wordt het beeld van Vlaanderen door Franstalige media vertaald en geïnterpreteerd. Die taalgrens verhindert dat beide taalgroepen elkaar ook direct leren kennen en begrijpen.

13Dat is des te vervelender in een federatie waar de nevenschikking van alle autonome deelstaten sterk is doorgetrokken. Dat sluit overruling van regionale door federale beslissingen in alle gevallen uit. Zelfs in die uitzonderlijke gevallen waarin bijv. de Duitse grondwet deze conditionele bovenschikking toelaat. In België wordt omwille van het fundamenteel wantrouwen en de taalgerichtheid van vele mechanismen bijna uitsluitend met exclusieve bevoegdheden gewerkt. Geen gemengde bevoegdheden wegens onverzoenbare verschillen. Het onophoudelijk streven naar het binnenhalen van naburige bevoegdheden, via de immer uitdeinende, homogene bevoegdheidspakketten, versterkt de confederale dynamiek.

14Een federatie met bovenstaande kenmerken mag terecht vrezen voor haar voortbestaan. Temeer omdat, als we het partijlandschap bekijken, er weinig concurrentie mogelijk is op communautaire issues: alle Vlaamse partijen verdedigen een globale Vlaamse consensus, denk aan de BHV-stemming in de Kamer of de resoluties van het Vlaams Parlement zoals herbevestigd in Vlaamse regeerakkoorden. Ook Franstaligen vormen een communautair front. Er blijven verschillen, vaak in gradatie of stijl, maar niet over de essentiële beleidskeuzes. In beide landsdelen is de electorale competitie grotendeels gereduceerd tot een opbodstrijd. Zeker als het over een symbool gaat. Dan schuift alle nuance uit beeld.

Historische schets BHV

15In de bijna halve eeuw dat de kieskring in de politieke arena huist, evolueerde het dossier van een position naar een valence issue. Aanvankelijk was de Vlaamse politieke klasse nog enigszins verdeeld over de houding die men tegenover BHV moest innemen en over de te volgen strategie naar de splitsing. De laatste vijf jaar gaan alle Vlaamse partijen voor een splitsing zonder prijs. Een alternatieve oplossing lijkt zelfs ondenkbaar geworden.

16In november 1961 diende de CVP-volksvertegenwoordiger Corneel Verbaanderd als eerste een wetsvoorstel in dat de splitsing van het kiesarrondissement BHV op het oog had. De toenmalige provincie Brabant bestond uit drie arrondissementen: het eentalig Nederlandstalige Leuven, het eentalig Franstalige Nijvel en Brussel dat volgens Verbaanderd uit 102 Vlaamse en 19 tweetalige gemeenten bestond. In het voorstel werden de 102 Vlaamse gemeenten in twee nieuwe administratieve arrondissementen ingedeeld, namelijk Halle-Asse en Vilvoorde-Zaventem. Beide administratieve arrondissementen zouden dan een nieuw kiesarrondissement vormen, waardoor de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde een feit zou geweest zijn.11

17Er zijn weinig sporen te vinden waaruit blijkt dat de aandacht bij de volksvertegenwoordigers voor zijn voorstel en het dossier BHV in het algemeen groot was. Ook ten tijde van het grote taalcompromis van 1962-1963 werd tijdens de kamerdebatten slechts heel beperkt allusie gemaakt op het probleem van de tweetalige kieskring. Verbaanderd was vrijwel de enige die kort verwees naar wat ondertussen zijn stokpaardje was geworden. Hij liet in de algemene bespreking van het wetsontwerp over het gebruik van talen in bestuurszaken en de taalregeling in het onderwijs van 1963 zijn ontgoocheling over het voortbestaan van Brussel-Halle-Vilvoorde blijken: ‘Neen, het is niet ernstig, het is niet eerlijk, 400.000 Vlamingen te voegen bij een tweetalig Brussel.’ Hij kreeg daarvoor toen nog applaus op de banken van de CVP.12 Duidelijk niet alle CVP-kamerleden konden zich vinden in het kaderakkoord die de meerderheid, waartoe ze zelf behoorden, had uitgewerkt en waarin de tweetalige kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde overeind bleef. Het duurde echter tot de artikelsgewijze bespreking van het wetsontwerp vooraleer er wat dieper op de kwestie werd ingegaan. Verbaanderd had als lid van de meerderheid bij die gelegenheid zijn voorstel uit 1961 onder de vorm van een amendement ingediend. Het debat dat daarop volgde was kort. Interessant was wel dat, in tegenstelling tot vandaag, niet iedereen aan Vlaamse zijde het eens was over het feit of een ‘onverwijlde’ splitsing wel een goed idee was. Rond Brussel-Halle-Vilvoorde werden in de begindagen nog duidelijk verschillende posities ingenomen door de Vlaamse partijen en bovendien leek er een bereidwilligheid tot compromisvorming aanwezig. Het amendement van Verbaanderd werd dan ook verworpen. Zelfs zijn eigen fractie wenste hem niet te volgen. Jan Verroken was het inhoudelijk wel eens met zijn fractiecollega, maar vond de timing vanuit pragmatisch oogpunt verkeerd.

18Met andere woorden, binnen het raamakkoord was het behoud van de kieskring te verdedigen. De Vlaamse socialisten waren het dan inhoudelijk weer niet eens met Verbaanderd. Zij beschouwden een splitsing immers als de dood van de Brusselse Vlamingen. De Vlaamse BSP’er Van Eynde laat klaar en duidelijk verstaan dat de Vlaamse socialisten zich nooit tot een dergelijke regeling zouden lenen: ‘Wij zijn niet geneigd toe te geven aan een zekere verdwazing van de Vlaamse opvattingen die er zou toe leiden alle Vlamingen uit Brussel-hoofdstad te verjagen. Wij willen niet dat de Vlaamse verkozenen uitsluitend van het platteland komen. Wij wensen dat de Vlamingen in de hoofdstad de plaats innemen die hen toekomt.’13

19Bovenstaande bespreking moet twee zaken duidelijk maken. Eerst en vooral dat er aan Vlaamse zijde geen eensgezindheid bestond rond de splitsing van BHV en ten tweede dat BHV tijdens de plenaire besprekingen over de vastlegging van de taalgrens en de taalwetten van 1963 slechts heel marginaal aan bod kwam. Er waren duidelijk afspraken rond gemaakt op regeringsniveau, maar BHV was verre van het hete hangijzer dat het vandaag is. En dat bleef ook lange tijd zo. De splitsing van de kieskring zou nooit echt de politieke agenda beheersen.

20Het thema bleef evenwel sluimerend in de hoofden van de Vlaams-nationalisten aanwezig en kwam daardoor af en toe eens bovendrijven. Er werd vaak tegen geprotesteerd, maar vaak door een overtuigde minderheid. Tijdens de Egmont-Stuyvenberg-onderhandelingen in 1977-1978, waar ook de Volksunie bij betrokken was, kwam het zelfs bijna tot een splitsing. De kwestie was onderdeel van een groter communautair akkoord rond de verdere staatshervorming en de kwestie van het hoofdstedelijk gebied. Halle-Vilvoorde zou electoraal aan Brussel worden onttrokken en in ruil vroegen de Franstaligen het inschrijvingsrecht. Eeuwigdurend voor Franstaligen uit de zes faciliteitengemeenten en gedurende 20 jaar in stukken van zeven bijkomende gemeenten en nog drie wijken14. Voorts eisten de Franstaligen bevoegdheden voor de Franse Gemeenschap in de zes faciliteitengemeenten. Het Egmontpact stootte in Vlaanderen op hevig verzet en liep uiteindelijk uit op een complete mislukking met als gevolg dat de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde bleef bestaan.

21Ook bij de splitsing van de oude provincie Brabant als gevolg van het Sint-Michielsakkoord uit 1992, bleef BHV bestaan voor de federale verkiezingen. Voor de rechtstreekse verkiezing van de gewestraden raakte de kieskring wel gesplitst. De inwoners van Halle-Vilvoorde, waartoe ook de zes faciliteitengemeenten behoren, kunnen daardoor enkel vertegenwoordigers aanduiden voor het Vlaams Parlement en niet voor het Franse Gemeenschapsparlement. In het Vlaams Parlement is er dan ook – slechts – één Franstalige volksvertegenwoordiger (Union des Francophones). Blijkbaar kunnen ondanks die krachtenbundeling van de Franstalige partijen niet meer zetels verworven worden. Dat komt omdat de Franstalige stemmentrekkers uit Brussel-stad niet op de UF lijst staan. Voor de federale verkiezingen werd de kieskring toen wel behouden. Er was bij de onderhandelingen rond de vierde staatshervorming zelfs sprake van een betonnering in de grondwet zodat Brussel-Halle-Vilvoorde slechts met een tweederde meerderheid zou kunnen gesplitst worden. Dit botste echter op een veto van de Volksunie.

22Het dossier kwam dus sporadisch aan de oppervlakte, maar was nooit het hete hangijzer zoals het dat vandaag is. Dit veranderde toen de paars-groene regering Verhofstadt I in 2002 de kieswet wijzigde en provinciale kieskringen in het leven riep, behalve in de provincie Vlaams-Brabant. Leuven werd er een aparte kieskring terwijl de rest van Vlaams-Brabant (nl. Halle-Vilvoorde) samen met Brussel, dat tot geen enkele provincie behoort, een kieskring ging vormen. Het Grondwettelijk Hof oordeelde in 2003 dat deze regeling wegens discriminatie ongrondwettelijk was en vernietigde ze. Een wat grijs geworden Vlaams-nationalistische eis zou ‘the hottest issue’ van de Wetstraat worden.

23De Vlaamse publieke opinie bleek gevoeliger voor dit argument van ongrondwettelijkheid dan voor het abstractere argument van de Vlaamse beweging dat BHV een aantasting is van het territorialiteitsbeginsel. Het huidige Vlaamse wetsvoorstel tot splitsing van de kieskring BHV wordt dan ook toegelicht als een rechtzetting van een inbreuk op de Grondwet en niet als een manier om het ‘Franstalig imperialisme’ in te dammen. Onder deze voorwaarden kon de oude eis van de Vlaamse Beweging makkelijker tot een valence issue uitgroeien in Vlaanderen. Wie kon tegen een juridische logica zijn? Bovendien was deze kwestie met een eenvoudige meerderheid te regelen en gaat het om een taalgrensconflict.

24Onder impuls van een groep burgemeesters uit Vlaams-Brabant raakte het communautaire thema in de verkiezingscampagne voor de Vlaamse verkiezingen van 2004 bovenaan de politieke agenda. De burgemeesters dreigden er wekenlang mee de verkiezingen te boycotten als geen werk werd gemaakt van de splitsing van BHV. De toenmalige christen-democratische oppositie zette zwaar in op een onmiddellijke splitsing. BHV moest hen helpen de Vlaamse verkiezingen te winnen en Paars te verslaan. Verhofstadt II had onderhandeld en was mislukt: CD&V-N-VA zou dat anders aanpakken. ‘Vijf minuten politieke moed’ volstonden. BHV werd een onderdeel van de electorale strijd omdat het een beeld was dat CD&V-N-VA kon gebruiken om het verschil met het Paars geklungel aan te tonen.

25De vroegere federale staatspartij voelde zich bovendien niet langer verplicht om al te veel communautaire verantwoordelijkheid aan de dag te leggen sinds de banden met de Franstalige zusterpartij cdH waren doorgesneden nadat de Franstalige christen-democraten vanuit de oppositie de Lambermonthervormingen mee hadden mogelijk gemaakt in 2001. Dat ‘verraad’ van Milquet was medeverantwoordelijk voor de sterkere Vlaamse profilering van CD&V. CD&V is voortaan een Vlaamse staatsvormende partij. Ze kiest resoluut voor het regionale niveau, ook zonder N-VA, waar haar eersterangsrol gegarandeerd lijkt.

26In de kamercommissie Binnenlandse Zaken diende CD&V in april 2004 een voorstel in tot splitsing van de kieskring, maar samen met de Franstalige partijen maakten VLD en SP.a-Spirit de agendering ervan aanvankelijk nog onmogelijk omdat het volgens hen naar plat electoralisme rook. De paarse regeringspartners trachtten de splitsing nog af te remmen op het federale niveau, maar haast gelijktijdig schaarde heel het Vlaams Parlement – inclusief SP.a-Spirit en VLD – zich achter een resolutie die pleitte voor een splitsing.

27De BHV-spreidstand van SP.a-Spirit en VLD duurde dan ook niet lang. Niet tegemoet komen aan de eisen van de burgemeesters zou neerkomen op Vlaams verraad wat zo kort voor de verkiezingen geen gunstig vooruitzicht was. Sp.a-Spirit en VLD ondertekenden daarop een akkoord dat Brussel-Halle-Vilvoorde nog voor het einde van 2004 zou gesplitst worden. Bovendien onderstreepten ze dat ‘Vlaanderen geen prijs moet betalen’ voor die splitsing. Als de Franstaligen bleven dwarsliggen, zouden SP.a en VLD in Kamer en Senaat toch de ingediende wetsvoorstellen goedkeuren. De compromisbereidheid was daarmee aan Vlaamse kant volledig verdwenen en dat werd nog maar eens bekrachtigd toen in het Vlaams regeerakkoord garanties werden opgenomen om tot een splitsing te komen. De volgende maanden zou een wetsvoorstel voor de splitsing van zowel de kieskring als het gerechtelijk arrondissement worden uitgewerkt dat uiterlijk bij de start van het nieuwe parlementaire jaar zou ingediend worden bij de Kamer. De kamerleden van CD&V, N-VA, SP.a, Spirit en VLD moesten het voorstel dan ‘onverwijld’ goedkeuren.

28In het Vlaams regeerakkoord sloop op die manier een afspraak die federaal moest geregeld worden. Voor SP.a-Spirit en VLD een uiterst moeilijke situatie, want zij moesten op de twee niveaus hun engagementen naleven. Een compromis zou nooit aanvaard worden door de Vlaamse regeringspartners en zonder toegevingen zouden ze de Franstaligen nooit kunnen verleiden tot een splitsing. BHV beheerste de politieke agenda de eerste zes maanden van 2005 en een beetje tegen de verwachtingen in leek men binnen de federale regering toch tot een akkoord te komen. Zo zou er een splitsing van de kieskring BHV voor de Kamer komen, niet voor het Europees Parlement. Dat laatste ligt minder gevoelig, niet omdat het Europees Parlement voor velen te veraf is, maar ook omdat het aantal Vlaamse en Franstalige zetels er vast ligt. Ook voor de Senaat stelt BHV minder problemen, niet enkel omdat velen aan de Senaat willen sleutelen, maar omdat ook daar elke taalgroep een vast aantal zetels heeft. Voorts zou ook het gerechtelijke arrondissement BHV gesplitst worden en zou de toepassing van de rondzendbrieven-Peeters en -Martens worden verzacht. Voor Brussel-hoofdstad zou er meer geld worden vrijgemaakt. Ten slotte zou de verplichte tweetaligheid voor de Brusselse ambtenaren worden afgezwakt. De Vlaamse partijen vonden de prijs voor deze gedeeltelijke splitsing echter te hoog. Toen bovendien bleek dat Verhofstadt probeerde door te drukken dat de Franse gemeenschap in de Vlaamse faciliteitengemeenten bevoegd zou worden voor onderwijs, welzijn en cultuur trokken de Vlaamse politici aan de rem. Ook het inschrijvingsrecht van Franstaligen uit de rand in Brussel bleef een moeilijke zaak15. De poging van Verhofstadt om Brussel-Halle-Vilvoorde te splitsen was mislukt, waarop premier uit vrees voor de val van zijn regering onmiddellijk tot de orde van de dag overging. Paars had woordbreuk gepleegd en betrouwbaarheid zou meer dan ooit een thema worden.

29Verhofstadt II mocht dan wel een streep onder het dossier gezet hebben, de belofte van alle Vlaamse partijen om Brussel-Halle-Vilvoorde te splitsen, bleef overeind. Tijdens de campagne voor de federale verkiezingen van 2007 en de regeringsonderhandelingen die daarop volgden, hielden de Vlaamse partijen vast aan de meerderheidslogica: splitsen zonder toegevingen. Niettegenstaande de Vlaamse politieke klasse zich bewust is van het feit dat een eenzijdige splitsing onmogelijk is, is gas terugnemen geen optie. De splitsing is een kwestie van politieke geloofwaardigheid geworden. Inbinden zou de geloofwaardigheid van de politieke tegenstanders op dit valence issue vergroten, wat gelijk staat met electorale zelfmoord. Ofwel stapt iedereen samen achteruit, ofwel niemand. Omdat partijen zoals Vlaams Belang of Lijst Dedecker nooit voor het compromis zullen kiezen, zitten ook de andere Vlaamse partijen vast aan hun hard standpunt.

30Dat verklaart de recente stemmingen meerderheid tegen minderheid. Zowel bij de stemming over de eenzijdige splitsing van BHV in de kamercommissie Binnenlandse Zaken (november 2007) als bij de stemming om het splitsingsvoorstel op de agenda van de Kamer te plaatsen (mei 2008), stemden Vlamingen tegen Franstaligen. Beide kampen lijken definitief de traditionele pacificatielogica te hebben verlaten. Deze verandering in de software van het Belgisch model is belangrijk. De hardware – paritaire regering, belangenconflict, alarmbelprocedure, overlegcomité, enz. – is de laatste jaren vrij stabiel gebleven, al heeft de afzonderlijke verkiezing van regionale parlement en gesplitste verkiezingen de confederale dynamiek in ons centrifugaal model versterkt. Het is vooral de software – de houding en attitudes van de politieke elite – die gewijzigd is. De huidige elite heeft, in tegenstelling tot de vorige, geen gemeenschappelijke federale geschiedenis meer. Er is geen acquis communautaire meer van gedeelde successen die de banden kunnen sterken.

Cursus empathie

31Eind 2006 zorgde de RTBF-uitzending Bye Bye Belgium voor grote consternatie. In deze fictie-documentaire werd een eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring van Vlaanderen geënsceneerd. En (ongewild) geridiculiseerd. Net als bij de legendarische radiouitzending War of the Worlds van Orson Welles veroorzaakte dit in Franstalig België voor paniek. In Vlaanderen daarentegen zag men vooral clichés en begreep men niet hoe Franstalige kijkers dit konden geloven. Zelden werd het wederzijds onbegrip treffender geïllustreerd. Beide publieke opinies tellen steeds meer mensen die opgegroeid zijn in een federaal België, die de unitaire staat nooit gekend hebben. De taalgrens is meer dan ooit een staatsgrens geworden met gescheiden publieke opinies, gescheiden media en regionaal georganiseerde partijen. Met als gevolg dat Vlamingen en Franstaligen elkaars gevoeligheden niet meer kennen en het steeds moeilijker wordt om elkaar te begrijpen. Dat is ook duidelijk in het dossier BHV.

Bloed versus bodem

32Het fundamentele meningsverschil waarop de BHV-crisis teruggaat, kadert in een verschillende visie op burgerschap. Overtuigde Vlamingen hanteren in regel het ius soli: burgerschap hangt samen met de bodem waarop de voordeur rust. Franstaligen die op Vlaams grondgebied wonen, in casu de rand rond Brussel, zijn Vlamingen of moeten toch het Vlaams karakter van de streek respecteren. Zelfs tegen wil en dank. En ‘de taal is gansch het volk’. Eventuele faciliteiten die aan deze anderstalige ‘minderheid’ rechten geven zijn tijdelijk, uitdovend en minimalistisch te interpreteren. Bedoeld om te integreren. Stemmen voor Franstalige partijen, die zich verzetten tegen dat Vlaams karakter, is een blijk van gebrek aan integratie en is zelfs een bewijs van verzet. Koppel daar een latent Vlaams minderwaardigheidsgevoel aan – een restant van de decennialange onderdrukking van het Vlaams door het Belgisch establishment – en de Franse taal wordt een arrogant expansiewapen. ‘Na Brussel willen ze nu ook de Rand innemen’. Bovendien is de democratische meerderheid van Franstaligen – af te lezen tijdens (vooral lokale) verkiezingen – geen argument: de integriteit en bescherming van het Vlaams grondgebied is een bovenlokale kwestie. Zo kunnen de drie niet-benoemde burgemeersters uit de Brusselse rand zich niet beroepen op hun lokale democratische overwinning: de federale taalwetten en Vlaamse decreten en rondzendbrieven primeren, de gemeente is ter zake trouwenns onbevoegd. Burgemeesters moeten de regels respecteren en zelfs afdwingen. Wie het gezag van de Vlaamse toezichthoudende overheid niet wil aanvaarden, is dan ook ongeschikt als burgemeester, aldus een algemene Vlaamse redenering.

33Franstaligen verweren zich met het ius sanguinis: burgerschap staat los van de bodem maar is een kwestie van ‘bloed’, rechten zijn verbonden met de persoon, niet met een territorium. Waar een Franstalige ook woont, Franstalige zal hij blijven en daartoe moet hij ook de nodige rechten krijgen. Zoals kunnen stemmen op ‘zijn volksgenoten’. Het eerste sluit eerder aan bij het Franse republikeins contractnationalisme, het tweede bij het Duitse volksnationalisme. Vlamingen volgen het territorialiteitsbeginsel, Franstaligen het personaliteitsbeginsel. BHV wordt beschouwd als een inbreuk op het territorialiteitsbeginsel. De homogeniteit van het Nederlandse taalgebied komt erdoor in gevaar. Daartegenover staat dat de homogeniteit van het Franstalig taalgebied niet gecontesteerd wordt. Franstalige, of liever Brusselse, toppolitici slaan hun tentakels tot diep in Vlaams gebied uit en ze mobiliseren daar kiezers op hun ‘Franstalig’ karakter: zo verhinderen ze de integratie van die Franstaligen in Vlaanderen.

34De krampachtigheid waarmee de Vlaamse beweging aan dat ius soli vasthouden is historisch te verklaren. Het is geen verkapte vorm van racisme – dat verwijt is terecht infantiel en beledigend – maar vooral een manier om taalverlies tegen te gaan, om een lagere statustaal tegen een hogere te beschermen. Daarenboven is er ook een sociale bekommernis: de verfransing gaat gepaard met het verdringen van de originele autochtone Vlaamse bevolking door de rijkere – Brusselse – Franstaligen, die de grond- en woningprijzen in deze groene rand rond Brussel opdrijven. De Vlaamse beweging is daarvoor extreem gevoelig omwille van de langdurige onderdrukking van het Nederlands. Niettegenstaande hun numerieke meerderheid, vormden de Vlaamssprekenden in de eerste eeuw België een ‘sociologische minderheid’. Een traumatische ervaring die zijn sporen nalaat tot in de huidige communautaire onderhandelingen. De taaldiscriminatie uit de 19e eeuw en de toenmalige economisch inferieure positie van Vlaanderen ten opzichte van Wallonië is bij vele Vlaams-nationalisten nog niet vergeten. Het Franstalige ‘non’ tegen communautaire hervormingen wordt door hen steevast als een kaakslag voor het ‘arme’ Vlaanderen ervaren. Dit kaakslagflamingantisme doet echter niks af van de taalwantoestanden die de Vlamingen gedurende een eeuw moesten ondergaan. Gerecht, onderwijs en administratie verliep overal in het Frans waardoor Vlaamssprekenden tot de marge van de samenleving veroordeeld waren. Dat maakte van de strijd voor de erkenning van het Nederlands als tweede landstaal niet alleen een culturele, maar vooral ook een sociale strijd. De discriminatie van het Nederlands in het officieel tweetalig Brussel is daar vandaag nog een levendig voorbeeld van.

35Teneinde de situatie van de lage statustaalsprekers te verbeteren drong de Vlaamse beweging aan op taalprotectionistische maatregelen. De toepassing van de ius soli was voor WOI zeker nog geen breekpunt voor de Vlamingen. Voor WOI eiste de Vlaamse Beweging voor Vlaanderen slechts officiële tweetaligheid. Het Frans kon in het Noorden van het land naast het Nederlands blijven bestaan. De Waalse beweging drong daarentegen wel aan op een strikte toepassing van het territorialiteitsbeginsel in Wallonië. Tweetaligheid voor heel België was voor hen onbespreekbaar. De Waalse beweging wilde zo de positie van de eentalig Franse ambtenaren beschermen en verhinderen dat er op die manier Vlaamse enclaves in Wallonië zouden ontstaan. Heel wat Vlamingen waren immers de armoede in hun streek ontvlucht om in de Waalse ijzer- en steenkoolnijverheid hun dagelijks brood te verdienen. Met een strikt personaliteitsbeginsel voor heel België dreigde een stad als Charleroi in Vlaamse handen te vallen. Dit plan ging onder Waalse druk echter niet door.

36In 1919 werd voor de eerste keer volgens het algemeen enkelvoudig stemrecht gestemd. Omdat elke man maar één stem meer kreeg, konden de Vlamingen hun numerieke meerderheid voor de eerste keer ten volle in de schaal werpen. De Vlaamse demografische meerderheid werd na WOI dus ook een politieke meerderheid. Dat bracht een radicalisering van de Vlaamse Beweging met zich mee die voortaan de eentaligheid van Vlaanderen vooropstelde. De Vlaamse Beweging zag zijn eis nu vrij vlug ingewilligd. Tussen 1932 en 1935 werden verschillende wetten gestemd met het territorialiteitsbeginsel als uitgangspunt. Streektaal werd voertaal, onderwijstaal en gerechtstaal.

37Het territorialiteitsbeginsel vormt met andere woorden een fundamenteel onderdeel van de Vlaamse emancipatiestrijd. Het was de dam die werd opgeworpen tegen de almacht van het Frans. Een taal die een belangrijk deel van de Belgische bevolking niet beheerste waardoor deze burgers a priori voorbestemd waren voor de marge van de Belgische samenleving. Taal- en sociale strijd gingen hier hand in hand. De techniek van het ius soli bood in deze situatie een uitweg, net als in elke andere situatie waarbij een lage statustaal in zijn voortbestaan bedreigd wordt. Het bood de basis voor de bescherming van een taal die in een klimaat van absolute taalvrijheid onder de voet zou gelopen worden. Dat de Franstaligen elders in de wereld en op andere momenten in de geschiedenis wel sympathie hebben voor de techniek van het territorialiteisbeginsel, is aan Vlaamse zijde dan ook een bron van onvrede. Zo wordt ook in Quebec het territorialiteitsprincipe toegepast. Daar voeren de Quebecois aan de hand van een strenge taalwetgeving een gevecht om de Franse taal te beschermen tegen de dominante invloed van het Engels. In tegenstelling tot het Vlaamse streven naar taalbehoud die daarvoor haast dezelfde mechanismen hanteert als de Franstaligen in Canada, is dit een strijd die menig Franstaligen, waaronder het FDF, wel nauw aan het hart ligt.

38Ook in het verleden bleek de Waalse beweging een uitgesproken voorstander van het ius soli. Het was een verdedigingswal die aan het begin van de 20e eeuw ook door hen werd opgetrokken tegen de tienduizenden Flaminds die de Waalse taalhomogeniteit dreigden in gevaar te brengen. Toen de katholieke regering tussen 1906 en 1909 drie pogingen ondernam om een algemene tweetaligheid in te voeren over het hele land, kwam hierop enkel uit Franstalig België verzet. Het feit dat de Waalse beweging vroeger een verdediger was van een principe dat ze vandaag in de Brusselse rand verwerpen – strikte eentaligheid – roept bij heel wat Vlamingen vragen op.

39Deze Franstalige houding leidt bij veel Vlamingen des te meer tot frustraties omdat ze er van overtuigd zijn zelf wel heel consequent volgens het territorialiteitsbeginsel te handelen. De fractieleider van de Vlaamse CVP, Jos De Saeger, formuleert het ten tijde van de debatten rond het vastleggen van de taalgrens in de Kamer als volgt: ‘Er worden aan Wallonië geen faciliteiten gevraagd voor Vlamingen die aldaar gehuisvest zijn. De duizenden Vlamingen, arbeiders en landbouwers, die zich in Wallonië zijn gaan vestigen, hebben zich aangepast, hebben nooit een probleem geschapen. Het is helaas andersom in Vlaanderen, niet hetzelfde.’16 In een adem wordt dan vaak verwezen naar het feit dat het geen toeval is dat heel wat Franstaligen een Vlaamse naam dragen. Onkelinx, Van Cauwenberghe, Spitaels,… het zijn stuk voor stuk namen van Franstalige politici met Vlaamse voorouders. Deze frustratie over Vlamingen die zich assimileren en Franstaligen die om het even waar hun eigen taal blijven hanteren, ligt ook aan de basis van de ferme uitspraak die Leterme in de Parijse krant Libération deed en waarin hij beweerde dat de Franstaligen in de faciliteitengemeenten blijkbaar ‘intellectueel niet in staat zijn om Nederlands te leren’. De onwil die een lange tijd bij de Franstalige politici bestond om Nederlands te praten versterkte dat beeld alleen maar.

Taalcompromis 1962-1963: vaagheid heeft zijn prijs

40Voor Franstaligen is het behoud van de kieskring en het gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde een van de essentiële elementen in het taalcompromis van 1962-1963. Daarbij werd bepaald dat Brussel beperkt bleef tot de negentien gemeenten (een Vlaamse eis) in ruil voor een systeem van taalfaciliteiten (Franstalige eis). Volgens de Franstaligen was ook het behoud van een symbolische en materiële band met Brussel (een Franstalige eis), namelijk het kies- en gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde, een cruciaal onderdeel van dat compromis. Slechts één deel van dat compromis aanpassen – BHV splitsen – is voor Franstaligen onaanvaardbaar. Alle onderdelen zijn immers onlosmakelijk met elkaar verbonden. Zonder dat de taalgrens wordt aangepast – dus de uitbreiding van Brussel – is de splitsing aan francofone kant ondenkbaar17.

41Aan Vlaamse zijde is de koppeling tussen het taalcompromis van 1962-1963 en het kiesarrondissement BHV minder vanzelfsprekend. Deze link wordt er niet gemaakt. In Vlaanderen wordt de taalgrensregeling eerder gezien als een inperking van Brussel in ruil voor de faciliteiten. De kieskring BHV maakt niet direct een onderdeel uit van dat grote taalvergelijk. Een analyse van de Kamerdebatten met betrekking tot die taalwetgeving vertoont ook weinig sporen van deze BHV-ruil. Het onderwerp komt op een amendement van Verbaanderd na nooit echt ter sprake. Een uitgebreide persanalyse zou misschien kunnen uitmaken wat de plaats was van BHV in het taalcompromis, maar een ding is zeker: voor de Vlamingen is BHV geen essentieel onderdeel van het grote taalgrenspact uit de jaren 1960. De begrenzing van Brussel is – zoals ook de officiële leer dat het geen volwaardig Gewest is, cfr ordonnanties in vergelijking met decreten – vanuit Vlaams oogpunt een van de fundamentele onderdelen van het Grote Belgisch Compromis, waarin ook de bescherming van de Franstalige minderheid in België begrepen is.

42Het is typisch bij onderhandelingen om een zekere vaagheid te laten bestaan over thema’s waar men geen compromis voor vindt dat bevredigend is voor beide partijen. Afspraken niet tot in detail invullen, schept immers de mogelijkheid om het compromis op verschillende manieren te interpreteren en zo de achterban te sussen. Dit gebeurde onder andere met betrekking tot de faciliteitenregeling. Nergens werd zwart op wit gesteld of de taalfaciliteiten eeuwigdurend waren of een uitdovend karakter hadden. Op die manier konden de onderhandelaars het elk op hun eigen manier positief inkleuren voor hun achterban. Die bedoelde dubbelzinnigheid leidde tot uiteenlopende interpretaties en werd zo een bron van misverstanden wanneer de originele compromismakers waren verdwenen. Diezelfde dubbelzinnigheid kan aan de basis liggen van de uiteenlopende percepties die aan het taalcompromis van 1962-1963 worden gegeven met betrekking tot BHV. Beide publieke opinies kregen waarschijnlijk een andere visie op het taalcompromis voorgeschoteld waarbij de betrokken politici selectief stom bleven en vooral datgene benadrukten wat voor hen als een trofee kon doorgaan. Voor de Vlamingen vormt BHV dan ook geen essentieel onderdeel van het originele raamakkoord. Zelfs als het ooit zo was, dan is men het in Vlaanderen in elk geval vergeten. Dat verklaart waarom het zo moeilijk is voor de Vlaamse politieke klasse om mee te gaan in de Franstalige politieke redenering dat BHV enkel kan gesplitst worden in ruil voor een aanpassing van de taalgrens. De uitbreiding van Brussel zit voor Vlamingen in dezelfde categorie als de financiering van de sociale zekerheid: even gevoelig, even symbolisch.

43Nu betaalt men de prijs voor deze comfortabele vaagheid. Door niet alles klaar en duidelijk af te spreken kan achteraf heel wat discussie ontstaan rond de invulling van een compromis. Wanneer de originele besluitvormers zijn verdwenen kunnen tegengestelde interpretaties een eigen leven gaan leiden. Met het verdwijnen van een politieke generatie die het compromis sloot, zijn de echte evenwichten die in het taalcompromis werden gelegd niet langer duidelijk. Vlamingen en Franstaligen leggen het akkoord anders uit zonder dat iemand het tegendeel kan bewijzen. Het is dan ook moeilijk om zonder een gemeenschappelijke interpretatie van het taalcompromis van 1962-1963 een aanpassing van dat raamakkoord te bepleiten. Of er een woord wordt geschonden valt dus niet meer uit te maken. Bovendien zou de huidige Vlaamse elite zich daardoor niet meer gevat voelen.

44Bovendien dringt de vraag zich op in welke mate niet alle cruciale onderdelen van het Belgisch compromis aan elkaar verbonden zijn. De splitsing van BHV kan volgens Franstaligen enkel gecompenseerd worden door de taalgrens te verschuiven, aangezien dat volgens hen een onderdeel van het originele compromis is. Aan Vlaamse zijde was men lange tijd gekant tegen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, maar als het beperkt bleef tot de 19 gemeenten kon het misschien wel. Moet bij een uitbreiding van Brussel dan het Hoofdstedelijk Gewest verdwijnen? Deze Franstalige logica doet de onderhandelaars in een spinneweb van afspraken belanden die elke beweging moeilijk maakt. Is de Waals-Brusselse samenwerking een aantasting van de premissen van het basisakkoord?

Brussel is onbetaalbaar

45De Franstalige politici lijken enkel te willen praten over een splitsing van BHV als daar een uitbreiding van Brussel aan wordt gekoppeld. Die uitbreiding is voor Vlamingen onbespreekbaar. Het tweetalige Brussels Hoofdstedelijk Gewest moet voor de Vlamingen beperkt blijven tot de 19 gemeenten, om te vermijden dat nog meer eentalig Vlaams grondgebied verloren gaat. Een uitbreiding van Brussel komt immers neer op een aanpassing van de taalgrens en dat is voor de Vlaamse beweging omwille van twee redenen ondenkbaar. Eerst en vooral wordt de taalgrens die in 1963 werd vastgelegd als definitief beschouwd. De numerieke groei van een minderheid in een bepaald gebied betekent voor hen niet automatisch de annexatie van die regio bij een ander gebied. Grenzen moeten gerespecteerd worden en zijn niet volatiel. Anders is het onmogelijk om er een (bipolaire) staat op te bouwen. Grensconflicten zijn de ergste in hun soort; die moeten vermeden worden. Bovendien slaat het argument van de ‘morzel gronds’ – dat niet verloren mag gaan – nog altijd aan bij de Vlaamse publieke opinie18.

46Een tweede argument is fundamenteler en wordt breder gedragen. Met de verschuiving van de taalgrens raakt men volgens heel wat Vlamingen immers aan de fundamenten van de federale staat. De taalgrens verschuiven is voor de Vlamingen van hetzelfde kaliber als het opgeven van de pariteit in de federale regering of een splitsing van de sociale zekerheid waarvan men weet dat het voor de Franstaligen onbespreekbaar is. De taalgrens verschuiven lijkt met andere woorden een eis die onmogelijk kan worden ingewilligd zonder het voortbestaan van de Belgische federatie op het spel te zetten. Wie dat op tafel legt is vanuit Vlaams oogpunt uit op provocatie. Nochtans lijkt het de Franstaligen menens. Als dat het geval is, is dat in elk geval een verharding van hun standpunt want in 2005 bleken de Franstaligen nog bereid om Brussel-Halle-Vilvoorde te splitsen zonder dat Brussel daarvoor moest uitgebreid worden.

47De Franstaligen halen steeds meer een economisch argument aan om de grenzen van Brussel te hertekenen. De uitbreiding is nodig om de welvaart van de hoofdstad en van ons land te vrijwaren. Aan Vlaamse zijde vindt men echter dat de administratieve grenzen daarvoor niet moeten gewijzigd worden. Daarbij wordt dan verwezen naar de grensoverschrijdende samenwerking tussen bv. Kortrijk en het Franse Rijsel. In deze ‘Eurometropool’ slaagt men erin om economisch, cultureel en logistiek samen te werken en voor beiden een win-win situatie te creëren zonder met de Frans-Belgische grens te schuiven. Als die Franstalige logica wordt gevolgd kan Brussel uitgebreid worden tot Gent en Antwerpen.

Eigen schuld dikke bult

48De Franstaligen zijn geen vragende partij voor de splitsing van BHV. Het waren de Vlaamse partijen die het probleem creëerden tijdens de kieshervormingen onder Verhofstadt I. Het waren SP.a en VLD die aandrongen op grotere kiesomschrijvingen, vooral om de toen veel zwakkere CD&V te treffen. VLD en vooral SP.a beschikten op dat moment immers over heel mediagenieke politici terwijl christendemocraten met een charismatisch deficit kampten. CD&V was voorstander van kleinere kieskringen omdat op die manier de sterke lokale verankering van de partij volop kon renderen. Het was dan ook sterk tegen de zin van CD&V dat overal provinciale kieskringen werden ingevoerd. Alleen in Vlaams-Brabant bleef het oude systeem overeind.

49De hele kieshervorming en het probleem BHV dat eruit voortvloeide, is dus vooral een Vlaamse verantwoordelijkheid. Franstaligen begrijpen dan ook niet waarom zij, onder de vorm van een splitsing van BHV, moeten ‘betalen’ voor een probleem dat het gevolg is van een Vlaamse verzuchting. Zij stellen dan ook geregeld voor om terug te keren naar de arrondissementele kieskringen en op die manier de ongrondwettelijkheid weg te werken. Dat klinkt logisch. Bovendien beveelt het Grondwettelijk Hof de splitsing niet en vraag het enkel om de discriminatie op te heffen. Al is over de interpretatie van dat arrest ook wat onenigheid.

50Een terugkeer naar het oude arrondissementele systeem ligt niet voor de hand. Eerst en vooral is dat een aantasting van de macht van de partijhoofdkwartieren. De provinciale kieskringen vergrootten immers de macht van de partijtop. Zo is hun greep op de samenstelling van de kandidatenlijsten – een cruciaal machtsinstrument – toegenomen, een evolutie die zich duidelijker aftekent in Vlaanderen dan in Wallonië waar de provincialisering niet werd doorgevoerd voor de Waalse gewestverkiezingen. Voor de Vlaamse verkiezingen daarentegen wel. Een terugkeer naar de arrondissementen is wellicht dan ook makkelijker voor de Franstalige partijen dan voor de Vlaamse, die volledig overgeschakeld zijn op het provinciale systeem. Daarnaast speelt ook mee dat alle Vlaamse partijen de splitsing aan hun kiezers beloofd hebben. Gas terugnemen zit er niet in, alternatieve oplossingen evenmin. Want anders blijven Franstaligen stemmen ronselen tot diep in Vlaanderen en blijven ze zodoende het Vlaams karakter van die streek in vraag stellen. Dat zit veel Vlamingen dwars.

Electoraal verlies

51Volgens Franstalige politici moeten Franstaligen in Vlaanderen een politieke link kunnen behouden met hun taalgenoten. Daarom eisen zij het behoud van de tweetalige kieskring. Aan Vlaamse zijde vindt men dat een loos argument aangezien niks hen tegenhoudt om Franstalige lijsten in te dienen in een Vlaamse kieskring. Zoals bij de verkiezing van het Vlaams Parlement. De Franstalige kopstukken kunnen desnoods in de Vlaamse rand gaan wonen. Bij die gelegenheid bundelen alle Franstalige partijen de krachten samen in de eenheidslijst Union des Francophones (UF). De Franstaligen kunnen zodoende in de hele provincie Vlaams-Brabant blijven stemmen op Franstalige politici, ook nadat de kieskring is gesplitst. De echte reden voor het behoud van de kieskring is dan ook vooral van electorale aard, vindt men aan Vlaamse zijde. De Franstalige partijen vrezen stemmen te verliezen als hun Brusselse politieke tenoren niet op de lijsten staan; het UF is minder populair dan de traditionele Franstalige politieke partijen. De mindere resultaten bij regionale verkiezingen tonen dat verschil aan. Bij de federale verkiezingen van 2007 haalden de Franstalige partijen in Halle-Vilvoorde meer dan 70 000 stemmen, bij de regionale verkiezingen zijn dat er 30 000 minder voor het UF.

Mythe van het separatisme

52BHV is voor de Franstaligen ‘le ciment de notre pays’ en moet dan ook behouden blijven. Dat blijkt uit een pedagogische nota van de PS over dit dossier en dat was al duidelijk toen Brussels COCOF-lid Ann-Sylvie Mouzon (PS) in de Franse gemeenschapscommissie voor de tweede keer een belangenconflict inriep tegen het splitsingsvoorstel van de Vlamingen. Zowel in de interventie van het Brussels parlementslid als in de pedagogische nota wordt de vrees geuit dat met het splitsen van BHV het laatste obstakel tegen Vlaamse onafhankelijkheid verdwijnt. Voor de Franstalige socialisten vervult de kieskring samen met de faciliteitengemeenten een brugfunctie tussen Brussel en Wallonië. Het is noodzakelijk dat die bruggen onbeschadigd blijven ter vrijwaring van ‘les espaces géographiques de vie que les Wallons et les Bruxellois voient pour (leurs) enfants et leurs descendants’. De PS dringt sinds korte tijd dan ook aan op een nauwere samenwerking tussen Wallonië en Brussel met als bedoeling om snel een Waals-Brusselse federatie op te zetten als het ooit tot een splitsing van België komt. De zwakke schakel in dit plan is het ontbreken van een fysische band tussen Brussel en Wallonië. Net om die reden is het behoud van BHV voor hen van groot belang: de kieskring is een juridische corridor tussen beide deelstaten. Want als Vlaanderen zijn onafhankelijkheid uitroept kan de taalgrens volgens het internationaal recht als staatsgrens worden genomen. Bij de splitsing van BHV bestaat er geen enkele juridische band meer tussen Brussel en Wallonië, waardoor Brussel voorgoed een enclave in Vlaanderen wordt. De eis om alvast één Vlaamse gemeente aan Brussel toe te voegen zodat Walen niet over Vlaams grondgebied naar Brussel moeten – maar doorheen een corridor kunnen – wordt in Vlaanderen op onbegrip en hoongelach onthaald. Dat soort beelden doet denken aan oorlogssituaties. Het illustreert hoe diep het ‘etnisch’ conflict reikt.

53Zoals vaker in dergelijke conflicten wordt de tegenstrever via stereotypen voorgesteld. Daarbij staat Vlaams-nationalisme of de vraag om meer Vlaamse bevoegdheden of de splitsing van BHV voor (het begin van) separatisme. ISPO-onderzoekers Swyngedouw en Rink toonden dat de Vlaming het separatisme niet echt genegen is19. Uit een bevraging na de verkiezingen van 2007 in een periode van verhoogde communautaire koorts (tussen 28 september 2007 en 15 januari 2008) bleek dat slechts 9,6 procent van de Vlamingen voor separatisme kiest. Dat is minder dan in 1999 toen nog 11 procent van de ondervraagden Vlaamse onafhankelijkheid nastreefde, en ongeveer evenveel als het aantal voorstanders van de terugkeer naar een unitaire staat. Daartegenover staat wel dat 46,9 procent voorstander is van meer Vlaamse bevoegdheden en slechts 43,5 procent van de Vlamingen een status quo of een herstel van de federale macht voorstaat. Dat de meerderheid van de Vlamingen separatisten zijn, is een hardnekkige mythe. Peilingen in kranten waarin Vlamingen zich middenin een crisis wel separatistischer tonen zijn te vergelijken met resultaten van een peiling over de prioriteit van rioleringswerken net na een overstroming.

Vlaanderen in de ban van legalisme

54Een laatste reden waarom de Vlaamse politieke klasse niet begrijpt waarom de Franstaligen blijven vasthouden aan BHV, heeft te maken met de legalistische houding die ze aannemen. ‘De wet is de wet en daar moet iedereen zich aan houden’, luidt het aan Vlaamse zijde. Als het Grondwettelijk Hof oordeelt dat een kieskring strijdig is met de grondwet, dan moet dat opgelost worden. Dat de veroordeling niet automatisch inhoudt dat BHV moet gesplitst worden, hoort men in Vlaanderen amper. De uitspraak is een argument om te doen wat al lang moest gedaan worden. Diezelfde legalistische overtuiging gaat ook schuil achter de niet-benoeming van de drie burgemeesters in de faciliteitengemeenten Linkebeek, Wezenbeek-Oppem en Kraainem. Door de oproepingsbrieven voor de verkiezingen van 2007 in het Frans te versturen, overtraden de drie burgemeesters de bestaande wetgeving. De niet-benoeming is een juridische eerder dan een politieke aangelegenheid. Het is met andere woorden meer dan een taalkwestie. De Franstalige burgemeesters van de andere drie faciliteitengemeenten rond Brussel leefden de wet wel na en werden dan ook benoemd door de Vlaamse minister van binnenlands bestuur.

Besluit

55Happart werd na verkiezingen 1988 nooit zelf burgemeester. Sindsdien is Voeren van de politieke agenda verdwenen. Het pacificatieakkoord dat in 1988 de kwestie Voeren regelde, was een van de knapste staaltjes van Belgische compromisvorming en institutional engineering. Voeren werd geregeld zonder dat een van de partijen gezichtsverlies leed. Beiden wonnen. Voeren bleef Vlaams en ging niet naar Luik, maar er werd voorzien in onweerlegbaar vermoeden van taalkennis ingevoerd.

56Net zoals Voeren is ook BHV vandaag een politieke juridische carrousel. Voorstellen en procedurestappen worden afgeblokt, tot de blocage enkel via een compromis kan doorbroken worden. Misschien ook pas na de val van een regering.

57Vandaag lijkt een BHV-pacificatie à la Voeren veel moeilijker te verlopen. Omdat de software van het Belgisch systeem veranderd is. Vandaag bestaat de leidende politieke elite uit politici zonder gemeenschappelijke Belgische geschiedenis, zonder gedeelde successen en nederlagen. De gescheiden verkiezingen, geëmancipeerde regio’s, uitgeputte federale kas en groeiende gevoeligheid van de federale left overs, om maar enkele oorzaken te vernoemen, maken een communautair vergelijk moeilijker dan ooit tevoren. De empathie is afgenomen, de stellingen dieper uitgegraven. Dat beperkt de ruimte voor creatieve oplossingen die ieders gezicht kunnen redden. Vandaag kijkt iedereen naar de waardering van de eigen achterban, niet meer naar de Belgische bovenbouw. Dit land is veranderd. Er is iets gebroken. Er zijn geen federale staatsdragende partijen meer. Alleen regionale staatsvormende partijen. Aan beide zijden van de taalgrens. De groeihormonen van het Vlaams separatisme worden in Franstalig België gekweekt. Hoewel de kiezers communautair minder radicaal zijn dan hun politieke leiders, zal deze radicaliteit zich ook in de bevolking nestelen. Hele generaties kiezers worden in de nieuwe spreidstand gesocialiseerd. Alles is beter dan deze kakofonie, dan dit politieke onvermogen.

58In The Economist van 5 juni 2008 verscheen over de verkiezingen in Macedonië onder de titel ‘A Balkan Belgium?’ volgend citaat: ‘A fashionable idea is circulating among Balkan-watchers: “Belgianisation”. This is not meant to suggest complex federalism. Instead it implies that different nationalities whom history has left sharing a state are at last behaving like Belgians, reaching for ballot boxes and courts, rather than guns and bombs’. Als het land deze koers aanhoudt zal The Economist later over Belgianisation moeten schrijven: ‘de langzame overgang van een eenheidsstaat, via een complex bipolair federalisme over confederalisme, naar twee afzonderlijke staten’. BHV is niet meer dan een testcase voor het ooit zo geroemde probleemoplossend vermogen van de Belgische wonderstaat. Maar ook niets minder.

Bibliografie

59Budge (I.) en Farlie (D.), Explaining and predicting elections. Issue effects and party strategies in twenty-three democracies, Londen, George Allen & Unwin, 1983.

60Budge (I.), ‘Theory and measurement of party policy positions’, in Budge (I.) et al. (red.), Mapping policy preferences. Estimates for parties, electors, and governments 1945-1998, Oxford, Oxford University Press, 2001, p. 75-90.

61Devos (C.) (red.), De kleermakers en de keizer. Inleiding tot politiek en politieke wetenschappen, Gent, Academia Press, 2006.

62Devos (C.), ‘Over de toekomst van de Belgische kotterie’, in Devos (C.) (red.), Ménage à trois. Quo vadis Belgica ?, Gent, Academia Press, 2006, p.1-21.

63Downs (A.), An economic theory of democracy, New York, Harper & Row, 1957.

64Lijphart (A.), The Politics of Accomodation. Pluralism and Democracy in the Netherlands, Berkeley, University of California Press, 1968.

65Stokes (D.), ‘Spatial models of party competition’, American political science review, 57 (2), 1963, p. 368-377.

66Swyngedouw (M.) en Rink (N.), Hoe Vlaams-Belgischgezind zijn de Vlamingen? Een analyse op basis van het postelectorale verkiezingsonderzoek 2007, Leuven, ISPO, 2008.

67Van de Casteele (E.), ‘Gemeenschapspact’, in De Schryver (R.) et al. (red.), Nieuwe encyclopedie van de Vlaamse beweging, Tielt, Lannoo, 1998, p. 1246-1251.

68Volkens (A.), ‘Policy changes of parties in European parliament party groups’, in Bara (J.) en Weale (A.), Democratic politics and party competition, Londen/New York, Routledge, 2006, p. 56-81.

Krantenartikels

69Maddens (B.), ‘VLD en SP.a lijden aan Vlaamse normvervaging’, De Tijd, 12 mei 2005.

70Delwit (P.), ‘BHV, version francophone’, De Morgen, 8 mei 2008.

71Hooghe (M.), ‘Wat de Brusselaars van de West-Vlamingen kunnen leren’, De Morgen, 30 januari 2008.

Notes

1 Budge (I.) en Farlie (D.), Explaining and predicting elections. Issue effects and party strategies in twenty-three democracies, Londen, George Allen & Unwin, 1983, p. 269.
2 Downs (A.), An economic theory of democracy, New York, Harper & Row, 1957.
3 Stokes (D.), ‘Spatial models of party competition’, American political science review, 57 (2), 1963, p. 368-377.
4 Ibidem, p. 372.
5 Ibidem, p. 373.
6 Volkens (A.), ‘Policy changes of parties in European parliament party groups’, in Bara (J.) en Weale (A.), Democratic politics and party competition, Londen/New York, Routledge, 2006, p. 58.
7 Budge (I.), ‘Theory and measurement of party policy positions’, in Budge (I.) et al. (red.), Mapping policy preferences. Estimates for parties, electors, and governments 1945-1998, Oxford, Oxford University Press, 2001, p. 85.
8 Stokes (D.), ‘Spatial models of party competition’, American political science review, 57 (2), 1963, p. 373.
9 Devos (C.) (red.), De kleermakers en de keizer. Inleiding tot politiek en politieke wetenschappen, Gent, Academia Press, 2006, p. 82.
10 Lijphart (A.), The Politics of Accomodation. Pluralism and Democracy in the Netherlands, Berkeley, University of California Press, 1968.
11 Parlementaire documenten, Kamer van Volksvertegenwoordigers, 1961-1962, nr. 204 (1).
12 Parlementaire handelingen, Kamer van Volksvertegenwoordigers, 1962-1963, 10 juli, p. 28.
13 Parlementaire handelingen, Kamer van Volksvertegenwoordigers, 1962-1963, 11 juli, p. 23-24.
14 Van de Casteele (E.), ‘Gemeenschapspact’, in De Schryver (R.) et al. (red.), Nieuwe encyclopedie van de Vlaamse beweging, Tielt, Lannoo, 1998, p. 1249.
15 De Standaard, 11 mei 2005.
16 Parlementaire handelingen, Kamer van Volksvertegenwoordigers, 1962-1963, 10 juli p. 13.
17 De Morgen, 8 mei 2008.
18 De Standaard, 30 januari 2008.
19 Swyngedouw (M.) en Rink (N.), Hoe Vlaams-Belgischgezind zijn de Vlamingen? Een analyse op basis van het postelectorale verkiezingsonderzoek 2007, Leuven, ISPO, 2008.

Pour citer cet article

Carl Devos & Nicolas Bouteca, «Brussel-Halle-Vilvoorde: Voeren van de 21ste eeuw», Fédéralisme Régionalisme [En ligne], Numéro 1 - Fédéralisme et frontières internes : les enjeux de l'arrondissement de BHV (Bruxelles-Hal-Vilvorde/Brussel-Halle-Vilvoorde), Volume 8 : 2008, URL : http://popups.ulg.ac.be/1374-3864/index.php?id=642.

A propos de : Carl Devos

Docent, Ghent Institute for Political Studies, Universiteit Gent

A propos de : Nicolas Bouteca

Assistent, Ghent Institute for Political Studies, Universiteit Gent